|
"Het is groen, maar het wordt plotseling geel.” Dat is het raadseltje waarmee de bekende Nederlandse vogelaar Nico de Haan de groenling omschrijft. Als een groenling opvliegt dan is de kleurverandering opvallend. Het gele vleugelrandje blijkt te bestaan uit felgeel gekleurde slagpennen en ook in de donkere staart blijkt veel meer geel te zitten dan je verwacht.
De meeste groenlingen zijn trouwens helemaal niet zo opvallend groen. Vrouwtjes en jonge mannetjes zijn veel minder fel gekleurd. Die zijn wat grijzer. Dé vogelgids van Lars Jonsson omschrijft de vogel als: “Grootste groengele vink, uitgerust met krachtige snavel en ‘musculeuze’ lichaamsbouw. In najaar grondkleur tamelijk dof en meestal valt slechts gele vleugeltekening op en bij opvliegen ook geel in staart.." In ons land leven naar schatting 50.000 tot 100.000 groenlingen. De vogel is ongeveer 15 centimeter lang (gemeten van snavel tot staartpunt).
Namen en bijnamen Officiëel heet hij Carduelis chloris, de op distels voorkomende geelgroene. In het prachtboek ‘De Nederlandse Vogelnamen en Hun Betekenis’ staan nog veel meer namen en bijnamen: Duitsers zeggen Grünling, Engelsen Greenfinch, Fransen Verdier, overal hoor je het groen in terug. Ook in sommige Nederlandse en Vlaaamse streektalen herken je dat: Groenvink, Groening, Gruunselder, Groene Kluit, Gruunvink. Maar soms vinden naamgevers ze ook geel: Geelvienke, Geelaard. Of de naam heeft te maken met het voedsel, Friezen zeggen Flaaksfink, de vink die vlaszaden eet. En dan heb je ook nog Grasduiker, Klittenvink, Kersenvink, Doornevink en Dorenkneuter. In Twente noemen ze niet alleen zichzelf Tukker, die naam geven ze ook aan onze groenlingen: Groantukker of Grovn Tukker. En in Enschede maken ze het echt bont: daar heet ‘ie Lultukker.
Wat opvalt aan de groenlingen - de gele kleuren bij het opvliegen. - dat ze meestal in groepjes opereren - de grote voorliefde voor rozebottels - ruzies op de voedertafel - in het voorjaar de triller, gevolgd door nasaal ‘tsjeee’-geroep - dat ze die kreet vaak vanaf een hoog punt laten horen.
Groenlingzang Lars Jonnson: “Vluchtroep een snel herhaald djup, klinkend als djurrurrup. Lokroep een zacht, moeizaam klinkend tsoe-iet. In broedtijd zingt mannetje vanaf hoge zangpost een karakteristiek, nasaal, langgerekt dswèèèèh, met reeksen”van kwetterende en rollende fluittonen. Volle zang kan zoet en afwisselend klinken en lijken op zang van Kanarie.” Zien Is Kennen: “Laat, vooral bij het opvliegen, een triller horen: prrrr… Lokroep: (h)uiét. Vooral in het voorjaar en zomer horen we een langgerekte, hese schreeuw: (w)èèèè`… Onder het opvliegen een vrij snel djuup, djuup.”
l
|